EN COURS DE ROUTE

Ik schreef deze theatertekst voor En Cours de Route, een project van Bolwerk in opdracht van GoneWest

DEEL I

1.

Een zwevend vrouwenlichaam

in donkergroen water.

Haar gezicht naar beneden,

de armen gestrekt.

 

Het is moeilijk te geloven dat ze dood is.

Dat dit een echte vrouw is,

die echt verdronken is in echt zeewater.

En geen actrice uit één of andere Amerikaanse politieserie.

Haar haren wiegen nochtans net op dezelfde manier heen en weer

in het water zoals de haren van actrices in Amerikaanse politieseries.

En het ziet er ook veel te mooi uit.

Alsof de costumière haar nog snel

die paarse sjaal heeft gegeven,

omdat die ook zo geweldig heen en weer

wiegt in het water.

 

Ik kan uren naar haar kijken,

hoewel ik eigenlijk niet begrijp

waar ik naar aan het kijken ben.

En ook al kan ik haar gezicht niet kan zien

ik heb het vreemde gevoel dat ik haar ken.

 

2.

Toen ik nog een kind was, ging mijn pa vaak op zakenreis.

Dan bleef ik alleen achter bij mijn ma voor een aantal dagen, een week…

En dan mocht ik bij haar in ’t grote bed slapen,

mijn hoofd leggen op papa’s kussen.

Zalig vond ik dat.

 

En wanneer pa terugkwam, had hij altijd een cadeautje bij zich.

Een lego-vliegtuig, een pluche beer, dat soort dingen.

Maar ik herinner mij, op ‘t moment dat ik overga naar ’t eerste leerjaar,

dat hij opeens thuiskomt met een klappertjesgeweer.

Zo’n langwerpig ding dat sheriffs gebruiken in cowboyfilms,

maar dan van plastiek.

 

Ik weet nog dat ik ernaar keek

en dat ik niet snapte wat ik ermee moest doen.

Had hij geen gewoon cadeau kunnen geven? Zoals vorig jaar?

‘Kom’, zei hij, ‘ik zal het eens voortonen.’

En hij nam mij mee naar buiten.

Hij stak een rood patroontje in het geweer

en mikte op één van de bomen

aan de rand van het plein.

 

Een luide knal. Ik leg mijn handen op mijn oren.

Zwarte rook kringelt uit het geweer,

een stank in mijn neusgaten.

Hij kijkt mij aan en glimlacht.

‘Ge moet niet bang zijn, ’t zijn maar losse flodders.’

 

Op het moment dat hij het geweer in mijn handen legde,

hoorde ik de buurjongens roepen.

Ze kwamen van tussen de bomen het pleintje opgelopen,

met Victor, den dikke, blonden voorop.

‘Wow, Simon heeft een geweer!’

Ze kwamen rond mij staan en keken me aan, vol verwachting.

Maar ik wist niet wat ik moest doen.

Voorzichtig tilde ik het geweer op

en mikte op één van de bomen.

Mijn vinger op de trekker.

Efkes keek ik opzij naar mijn pa, hij knikte.

‘Allez Simon, schiet dan!’ riep Victor.

Maar mijn vinger bleef stil.

‘Ha ha, Simon durft niet!’

‘Jongens, rustig’, zei mijn pa.

Ik staarde naar de grond.

Ze trokken het geweer uit mijn handen.

 

En terwijl ik naar binnen liep, hoorde ik ze lachen.

Daarna schoten.

Ik ging in de living voor het raam zitten

en met mijn handen over mijn oren

keek ik naar buiten.

 

Is dat ook wat gij gedaan hebt, bompa?

Toen dat ze uw oudere broer kwamen halen

en zeiden dat ze nog vrijwilligers nodig hadden in ’t leger?

Zijt ge naar binnen gelopen omdat ge bang was?

Bang van de verhalen die ge hoorde?

De verkrachte meisjes met opengereten buiken,

de granaten, de afgerukte ledematen, het mosterdgas…

 

Ik heb uw oude dagboeken gevonden bij oma op zolder.

Ge zegt dat ze u een lafaard noemden en dat ge u schuldig voelde

omdat gij daar gezapig thuis kon blijven zitten.

Heel uw dorp hebt ge zien vertrekken naar ’t buitenland:

Frankrijk, Nederland, Groot-Brittannië.

Maar aan u moesten ze da niet vragen, ha nee.

Alsof dat gij uw Oostvleteren ging verlaten

om tussen de vreemden te gaan zitten?

Ze zijn niet goed zeker?

Ge werd al zot van de Fransen die ge elke avond

onder uw raam hoorde tetteren

over hun aangebrande avontuurtjes ‘avec les filles et l’alcool’.

En wanneer ge ze tegenkwam, vroegen ze

altijd hetzelfde: ‘Waarom zijt gij gene soldaat?’

Ik heb nergens gelezen wat dat uw antwoord was.

 

Ge schrijft hoe ge ronddoolde in de lege straten,

uw oude schoolgebouw, de lokalen waar ge zo graag

gewoon had verder gestudeerd,

mocht de oorlog niet begonnen zijn.

 

3.

Er is veel veranderd sinds ge weg zijt, bompa.

’t Is te zeggen, veel, maar ook weinig.

De mensen zijn nog altijd op de vlucht.

Ze komen uit Syrië, Afghanistan, Lybië…

Ze komen naar hier, bompa.

En weet ge waarom?

Omdat ze niet anders kunnen, omdat er oorlog is in hun land.

Een oorlog die wij helpen financieren.

 

Maar ‘k weet al hoe dat ge zou reageren mocht ge nog leven.

Ge zou ze niet vertrouwen, ge zou zeggen

dat ze beter terug kunnen keren.

Juist ’t zelfde wat de mensen uit Oostvleteren hebben

mogen horen toen dat ze in Engeland aankwamen

en daar gelijk beesten in de stro werden gelegd.

Ze passen zich niet aan, zeiden de Britten.

Ze fietsen aan de verkeerde kant van ’t straat

en veroorzaken accidenten.

Ze klagen over ’t eten.

Te weinig patatten, te veel schapenvlees.

En ’t heeft dan nog geen smaak ook!

Ja, de marmelade wel, maar die is veel te bitter…

Ze weigeren iedere dag een bad te nemen.

En ze geven hun kinders bier te drinken, begot…

En het ergste van al:

ze kunnen geen Engels.

Dus dat komt naar hier, dat kan de taal niet, dat past zich niet aan

en dat denkt dat alles hen in de schoot ga geworpen zijn!

 

Soms kunt ge niet terug naar huis bompa, dat weet gij ook.

Ge hebt de bommen zelf horen vallen, ge hebt gevoeld

hoe dat de grond onder uw voeten begon te trillen.

Ge hebt de zeppelins aan de horizon zien voorbijglijden,

een wolk van granaten erachter.

 

En ik versta het, ge waart kwaad.

Kwaad omdat er een paar stomme Fransen

wat verder in de straat een huis in de fik hadden gestoken.

Zomaar.

Ge waart kwaad omdat ze u uitlachten

wanneer ge met uw palmtak stond te wuiven op het veld.

Dwaas bijgeloof noemden ze dat, gij wist wel beter.

 

Maar ge schrijft ook

dat ge met een paar van die Fransen maten zijt geworden.

Dat uw hand trilde toen dat ge afscheid van hen moest nemen.

Omdat ge wist dat ze niet meer zouden terugkomen,

omdat ge wist dat gij daar zou achterblijven.

Omdat ge wist dat ge iemand had gevonden die was gelijk u.

Dus waar is het misgegaan, bompa?

 

4.

Ik klik een ander filmpje open.

Een patrouilleboot op open zee,

de bemanning draagt oranje zwemvesten en zonnebrillen.

Ze varen naar een andere boot toe,

een boot die eruitziet als een opblaasbaar zwembad.

Zo één dat aan het eind van de zomer

een gele cirkel achterlaat in het gras.

En niet alleen de vorm is hetzelfde,

er staat ook water in!

Maar dat schijnt niet de bedoeling te zijn.

Want – ook niet onbelangrijk – die boot zit vol met mensen.

Zwarte mannen en vrouwen in gemakkelijke kledij:

t-shirts, bermuda’s, slippers…

Ze zien eruit alsof ze op weg zijn naar het strand,

maar er is in de verste verte geen strand te zien.

Van zodra dat de patrouilleboot naast hen komt liggen,

proberen ze erin te klauteren,

maar de bemanning slaat direct

met knuppels op hun handen.

 

‘Zo ver kan het toch niet zijn’, moet de eerste gezegd hebben.

‘En met zoveel zijn we nu toch ook niet,

moet iemand anders hebben aangevuld.’

‘Liever verdrinken dan hier nog langer in de stront te blijven zitten!’

‘Ja!’ ‘We zijn weg!’

 

Weten ze dan niet dat wij een muur aan het bouwen zijn

en dat de prikkeldraad hier als helmgras omhoog schiet?

Weten ze dan niet dat er hier helemaal geen plaats meer is?

Dat er ook bij ons geen konijnenholen en wonderlanden bestaan?

Dat hun gevluchte nonkels, neven en broers fabeltjes vertellen

over dure auto’s en rolexhorloges,

over appartementen volgepropt met breedbeeldtelevisies

waarop 24/7 gratis porno te zien is,

over zalfjes en crèmes die elke rimpel de kop indrukken,

over prachtige vrouwen die met elke zwarte man in bed duiken

omdat ze gehoord hebben dat die zo groot geschapen zijn.

Weten ze dan niet dat ze hen

elke maand geleend geld opsturen?

Geld dat ze niet eens kunnen terugbetalen.

 

En dan, plotseling… BAM!

Een bliksembol die als een kwal uit de hemel komt vallen.

Regen, uren lang, naalden van glas,

golven zo hoog als flatgebouwen.

Mensen die overboord vallen.

Onder hen een vrouw met een paarse sjaal.

Een vrouw die voor eeuwig

in een donkergroene oceaan zweeft

zoals alleen een actrice dat kan.

Of dat dacht ik toch.

Een vrouw met een naam.

Alice.

Ja, zo ga ik u noemen.

 

5.

Begrijp mij niet verkeerd, bompa.

Ik wil niet gaan beweren dat ik heilig ben.

Nee.

Wanneer ik in Brussel rondloop

en er komt iemand naar mij van:

‘Mag ik u iets vragen?’

Dan negeer ik die gewoon.

Omdat ik niet meer geloof dat

ze de weg gaan vragen, of welk uur het is.

Ik ben er zeker van dat ze om geld gaan smeken.

En dat wil ik ze niet geven.

Een zwerver wandel ik gewoon voorbij zonder hem ’n blik te gunnen

omdat ik bang ben dat ik ga zien

dat het evengoed ik had kunnen zijn die daar zit.

Ik wil mezelf graag wijsmaken dat het allemaal oplichters zijn.

Mensen die gewoon maar een rolletje spelen

en ’s avonds met een goedgevuld bekertje hun BMW instappen

en naar huis rijden.

Ik weet nochtans goed genoeg

dat er tussen die bedelaars mensen zitten

die in hun eigen land leraar, ingenieur of dokter zijn geweest

en die zijn moeten vluchten omwille van de politiek.

Mensen zoals gij en ik, bompa.

Maar ja, ’t is makkelijker om te geloven in het verhaaltje.

Dat het profiteurs zijn, die er wel hadden kunnen geraken,

mochten ze ervoor gewerkt hebben.

Want in het Westen is toch alles mogelijk, right?

En degenen die geen CEO worden,

degenen zonder villa met zwembad,

die hebben dat volledig aan hun eigen falen te danken.

Zulke mensen noemen we losers, bompa.

En het zijn zulke verhaaltjes die ervoor zorgen

Dat we ons kunnen blijven focussen op onze eigen successen.

Het zijn zulke verhaaltjes die ervoor zorgen

dat we in elke vluchteling een gelukzoeker zien

die ons land komt binnenvallen

zonder zich te willen aanpassen.

Het zijn zulke verhaaltjes die ons blind maken.

Maar ik wil niet blind zijn, bompa.

 

6.

aan de rand van de fontein

staat een man tussen de waterspuwers

zijn armen houdt hij

als gouden bekers voor zich uit

 

klik klak, ratelend over de klinkers

honderd knikkers als kwikdruppels

rollend uit de kloven van zijn glazen skelet

de oogbollen twee azuurblauwe scarabeeën

 

hij opent zijn mond en laat alles naar buiten stromen

een koord van drek en slib, een verloren gewaand vliegtuig,

de sjaal van Alice, zwevend in een paarsgroene oceaan,

voor altijd gevangen tussen de frames van een camera,

een patrouille in oranje reddingsvest, een vuist van zeewier,

de fluorescerende snaren van een contrabas, een gezin

vluchtelingen – de jongste met de kaart van Hongarije

in zijn hand – een regen van liervogels en tapirs,

een digitaal polshorloge en de heilige graal

maar geen water, nee, alles behalve water

 

eindelijk leeg draait de man zich om,

veegt de schubben van zijn lippen en gaat naar huis

 

7.

Ge schrijft dat het na een tijd begon te knagen.

Want gij zat daar maar uw dagboeken vol te pennen

terwijl uw schoolmaten hun opleiding deden in ’t leger.

En ge dacht: ‘Ik wil mijn Vlaanderen niet in de steek laten.

En nee, ze zullen mij niet temmen!’

 

De tweede keer dat ze ’n oproep deden, hebt ge ja gezegd.

Ge zijt met twee van uw maten naar Frankrijk getrokken.

Ge hebt gevochten gelijk een beest en ge zijt sergeant geworden.

Na den oorlog hebben ze u medailles gegeven voor uw moed.

Maar eigenlijk zijt ge uw hele leven bang geweest, bompa.

Bang van de anderen, bang van de vreemden.

Heel uw leven zijt ge blijven roepen: ‘Onverfranst! Onverduitst!’

en later, toen ge al in de politiek waart en

Duitstalig België meer macht begon te krijgen

waart gij den eersten om da te voorkomen.

Ge hebt altijd uw oogkleppen opgehouden,

wat er ook gebeurde.

 

En ik weet het:

’t is moeilijk om niet cynisch te worden,

’t is moeilijk om u in te zetten wanneer dat ge heel den tijd

’t gevoel hebt dat ge een druppel op ’n hete plaat zijt.

’t Is moeilijk om ’n held te spelen wanneer ge u een lafaard voelt.

 

En ’t is makkelijk om te zeggen dat gij fout waart, bompa.

Terwijl dat ik in uw plaats misschien hetzelfde gedaan zou hebben.

Gij hebt gedaan wat ge dacht da ge moest doen.

En nu is het aan mij.

 

DEEL 2

Dames en heren,

ik ga een verhaal vertellen.
Maar pas op, voor dat ‘k begin moet ge weten

dat ge een verhaal eigenlijk nooit helemaal moogt geloven.

Weet ge dat, madam? Meneer? Ja he.

Zeker als er zo iemand naar u komt die zegt:

‘Moet ge nu ’n keer horen wat voor ongelooflijk dingen ik heb meegemaakt?’

Dan zou er eigenlijk al direct een belletje moeten gaan rinkelen.

Dat heb ik geleerd van onze Klaus.

Want ‘k weet nog dat hij zei, toen dat den oorlog al gedaan was:

‘Eigenlijk, Simon, kunt ge beter gewoon geen verhaal vertellen.

Want den tijd van de grote verhalen, die is gedaan. Ik voel dat.

En iemand die toch nog een verhaal vertelt he,

dat is iemand die denkt dat hij ’t eens allemaal

kan komen uitleggen aan de mensen.

En zo zijn wij niet.

Wij zien hoe verwarrend dat ’t leven is,

en wij worden daar zo moe van, dat wij gewoon niet meer weten wat zeggen…

Maar als ge ’t dan toch niet kunt laten’, zei hij,

‘als ge dan toch het gevoel hebt dat ge een verhaal moet vertellen,

dan kunt ge beter beginnen bij het begin.’

En laat ’t nu juist dn Klaus zijn over wie dat ik een verhaal ga vertellen.

 

Ik zie hem nog toekomen op z’n eerste dag bij ons op school.

Ge zag direct dat hij een speciale was.

Want, beste mensen, den Klaus, dat was ’n reus.

Maar letterlijk ‘n reus.

Hij was toen vijftien jaar oud

en al meer dan twee meter groot.

En hij was geen lange, magere slungel,

nee, echt ’n beer van ’n gast.

Met van die handen als schoppen en de rug van een stier.

Dus ge zag zo al die koppen in zijn richting draaien van:

‘Wat komt er hier nu binnen, maat?…’

Later zei Klaus eens tegen mij dat zelfs z’n eigen buurvrouw

nog elke keer een beetje schrok wanneer ze hem zag.

 

En wij waren niet de enige die hem hadden opgemerkt.

Ook bij de leerkrachten viel hij op.

En ik moet zeggen, ’t was al direct dik tegen z’n kloten.

Maar echt he.

’t Eerste uur was gymnastiek bij Schelle,

slechter kon hij het niet treffen.

Want Schelle, dat was zo ‘n klein dik manneke met ’n snor en rare kuren.

En hij kon vooral goed fietsen.

Ja, dan fietste hij zo naast u terwijl ge aan ’t lopen was.

‘Allez jeanette, rapper! Ge zit nog niet aan den helft!’

Maar dus, Schelle had precies meteen in de gaten

dat Klaus ‘n nieuwen was.

‘Hey lelijkaard’, riep hij. ‘Ja, ik heb ’t tegen u!

Haal een keer die bal!’

Dus Klaus kijkt een keer raar, maar ja,

wat moest hij doen, ’t was zijn eerste dag.

Dus hij dat muf kot in om die bal te gaan zoeken.

Maar wat hij niet ziet, is da Schelle zo stilletjes achter hem aan wandelt.

En op het moment dat Klaus zich vooroverbuigt om die bal te pakken

geeft Schelle hem een trap, recht in zijn kloten.

Wat best straf was eigenlijk, want de Klaus heeft echt lange benen.

Maar dus, de Klaus veert recht en roept:

‘Wat is uw probleem, man?’

en hij grijpt de Schelle daar zo vast bij z’n kraag.

En op da moment dacht ik: ‘Zalig. Die gast moet ik leren kennen.’

Wel, tijdens de les geschiedenis had ik al prijs.

Meneer Vandendriessche had ons samen aan ’n bank gezet.

En ‘k weet nog, na een kwartiertje draait Klaus zich opeens naar mij

en vraagt hij totaal uit het niets:

‘Wat vind gij van de toestand in Servië?’

‘Eh…’

Ja, ik zat daar met mijn mond vol tanden.

Wist ik veel wat ik moest denken van de toestand in Servië.

Ik was met andere dingen bezig, eh…

hoe ik indruk zou kunnen maken op Marianne bijvoorbeeld,

het meisje dat ik altijd in de kerk zag.

Maar de Klaus blijft zo heel serieus naar mij kijken,

tot hij zich niet meer kan inhouden van het lachen.

Ja, dat was zijn manier om u te testen.

Want Klaus, die was altijd voor op de anderen,

die voelde precies wanneer er iets in de lucht hing…

Ook toen het daar in Bosnië ontploft was

en België er alles aan deed om te benadrukken dat ze neutraal waren,

was Klaus de eerste om dat in vraag te stellen.

‘k Weet nog dat ik tegen hem zei:

‘Als die legers naar hier komen he, uit Frankrijk en Duitsland,

Dan gaan ze ten zuiden van de Maas door België trekken.

Maar ons gaan ze erbuiten laten.’

‘Maar dat gelooft ge toch niet?’ zei hij dan.

‘Dit is een oorlog van iedereen tegen iedereen,

wij gaan daar niet aan ontsnappen.

En daarbij, ‘neutraal’ zegt ge?

Wie zegt dat wij neutraal zijn?

Stel dat dat pistool van Princip,

waarmee dat Frans Ferdinand vermoord is,

stel dat dat van een Belg is?’

‘Hoezo een Belg?’

‘Ja, een Belg die naar Bosnië verhuisd is

om daar bijvoorbeeld ’n fietswinkel open te doen

en die toevallig ook ’n goede band heeft met de nationalistische kringen.

Zijn wij dan nog altijd zo neutraal?’

‘Allez Klaus, doe niet belachelijk.’

‘Alles is mogelijk zolang dat ’t tegendeel niet bewezen is.’

‘Ah ja?’ zei ik. ‘En waarom zou ik ùw verhaal wel moeten geloven

en het verhaal dat ik in de krant heb gelezen niet?’

‘Aha’, zei hij met een glimlach. ‘Nu hoor ik u spreken.’

 

Ge hoort het, de Klaus kon soms een lastige zijn.

Maar hij kon als de beste tegen de schenen schoppen

van alles dat schenen had.

En pas op, dat was niet ’t enigste.

D’r waren nog andere dingen waar dat hem heel goed in was:

biljarten, pinten drinken en achter de meisjes zitten.

Vooral in da laatste liet hij ons ver achter zich.

Hij had altijd de schoonste vriendinnetjes,

en dan nam hij die stiekem mee naar huis.

En als z’n moeder dan kwam kloppen op de deur

omdat ’t eten klaar was, dan moest hij die vlug in de kast zien te krijgen.

Ja, er hebben veel meisjes in Klaus z’n kast gezeten.

Misschien zit er nu nog één in…

Nee, nee, op ’n bepaalde dag was dat fladderen van hem opeens gedaan.

Dat was het moment dat hij Alice voor ’t eerst zag.

Maar over haar ga ik jullie later vertellen.

 

Ik wil het eerst hebben over een belangrijke dag in de oorlog.

’t Was een rare dag, grappig maar ook heel tragisch.

24 augustus 1914.

Den dag die ze later De Vliegende Maandag zijn gaan noemen.

Gaat er al een belletje rinkelen? Neen?

Wel, die dag begon eigenlijk heel goed.

’t Was goed weer en Klaus en ik gingen samen vissen.

En wij zitten daar aan het water

en opeens zien wij ’n immense groep fietsers voorbij vlammen. Wham!

Da was raar… Ze zagen d’r uit of da ze in paniek waren.

’n Beetje later zien we vanuit de verte een bende lopers aankomen.

Grauwe, angstige gezichten, helemaal in ’t zweet.

Dus den Klaus roept: ‘Hey mannen! Wat is ‘t?’

Roept er één terug: ‘De Duitsers!’

‘De Duitsers?’

‘Ze pakken al ’t manvolk mee.’

‘Wie zegt dat?’

‘’t Dorp hier naast, en de mannen daarnaast. Iedereen!’

Begint de Klaus zich daar opeens een kriek te lachen, jong….

‘Allez, onnozelaars’, zegt hij, ‘ga maar rap terug naar huis.’

‘Ja manneke, lach maar. ’t Gaat sebiet wel gedaan zijn!’

En op da moment begin ik toch wat schrik te krijgen.

Maar den Klaus, nee, die niet.

‘Allez Simon,’ zegt hij. ‘Gelooft gij dat nu?

Die venten gaan ervandoor voor één of ander stom gerucht.’

‘Ja Klaus, eh, ik weet toch niet hoor…’

‘Gij gaat toch ook niet beginnen of wat?’

Schouders ophalen.

‘Ok, maar stel nu dat ’t waar is

– zever natuurlijk, maar kom –

stel dat ’t waar is, dan laten die gasten

hun vrouw over aan die smerige Ulanen he.

Dat is nu echt ’t laatste dat ik zou doen!

Da ze eerst maar godverdomme een keer over mijn lijk gaan!’

Dus, ge merkt, de Klaus die begint daar te flippen.

en ik probeer die wat te kalmeren

maar één keer dat hij vertrokken is, kan hij wel efkes doorgaan.

En ondertussen zie ik die lopers

aankomen bij een boot die wat verder in de Leie ligt.

En ze beginnen daarin te kruipen, met veel te veel,

de een over de andere, achter dat roer…

En hup, weg zijn ze, naar den overkant.

En ze zijn nog maar juist vertrokken

en ik zie al dat die boot begint te kantelen.

En de eerste valt eruit. Baf, achterover dat water in…

’t Duurt niet lang of die hele boot keert om

en iedereen ligt in de rivier.

En de Klaus ziet dat, en opeens wordt die gewoon nòg kwader.

‘Is da nu dat stoer manvolk dat voor ons land moet vechten?’

En ondertussen komen er nieuwe mannen aangelopen

en de Klaus die is nog steeds aan ’t flippen

en die mannen zien dat, en die zien dat die boot al weg is

dus die beginnen in de bomen te klimmen en in de sloten te springen.

Mannekes, ik wist niet wat dat ik zag…

Dat was precies zo’n schilderij van Bosch dat tot leven aan ‘t komen was.

En er waren zo van die gasten die een vis uit ’t water haalden

en zo die bek opendeden en dat beest over hun kop probeerden te trekken!

En de Klaus; die bleef maar in mijn oor staan schreeuwen

van: ‘Lafaards! Lafaards! Aaaah!’

Dus ik word daar knettergek en opeens roep ik: ‘Hou toch uw bakkes!’

(pauze)

En effectief, de Klaus, die doet z’n mond dicht.

En opeens is dat muisstil.

En wij staan daar zo naar mekaar te kijken,

en uiteindelijk zeg ik: ‘Zouden we niet maken dat we hier weg zijn?’

En hij kijkt zo nog eens in het rond en hij zegt:

‘Ok. (pauze) Maar alleen om uw kop te kunnen zien

wanneer ge hoort dat het vals alarm is.’

 

Dus wij twee samen op pad.

Te voet naar de tramhalte.

Wanneer we daar aankomen,

blijkt dat er al ’n massa mensen staat te wachten.

Allemaal venten van tussen de 15 en de 60, helemaal in paniek.

En dan, dat moment dat die tram aankomt. Dat ga ik nooit vergeten.

Iedereen begint daar elkaar omver te duwen,

er zijn er die anderen van hun plaats sleuren,

er zijn er die aan den buitenkant van de tram gaan hangen.

Maar goed, op één of andere manier geraken wij daar toch in.

En ik zie zo opeens een bekend gezicht.

De Marcel, ’n klein manneke met ’n felle bek van bij ons op school.

En hij zit daar zo wat bedeesd naar z’n schoenen te kijken.

Dus ik tik de Klaus aan en ‘k zeg: ‘Hey!’ (stil)

(wijzen)

En hij natuurlijk direct: ‘Hey Marcel!’

En Marcel z’n kopke gaat zo omhoog:

‘Ah, heh… De mannen, alles goed?’ (bedeesd)

‘Ja, zeker!… Hey maar Marcel, ge zijt toch niet aan ’t vluchten he?’

‘Nee, nee, nee, tuurlijk niet… Ik ga- ik ga gewoon nog efkes naar de stad.

Ik Ben daar iets vergeten.’

‘Oei, wat dan?’

‘Oh, gewoon… iets. Allez, iets voor thuis he.

Ik keer vanavond nog terug he.’

‘Ah, da’s goed, Marcel. Da’s goed.’

 

Efkes later komen wij aan in de stad.

En man, dat is daar een chaos.

Heel dat marktplein staat vol met vluchtelingen.

Sommige zeggen dat ze naar Nederland gaan

andere roepen dat ze zich in ’t bos gaan verstoppen.

Maar Klaus en ik voegen ons niet bij de groep

en wandelen gewoon verder.

En maar wandelen en wandelen.

En Klaus die loopt zo de hele tijd een paar meter vrolijk voor mij uit.

En opeens vraagt hij:

‘Weet ge wat de Duitse pedagoog Joseph Haüssner zegt over de oorlog?’

‘Nee…’

‘Awel, dat die ‘een opgewekte dadendrang’ losmaakt bij het volk.

En ‘k moet zeggen, eerst vond ik dat dikke zever.

Maar als ik u zo zie wandelen,

dan begin ik daar precies toch anders over te denken.’

‘Ja, ’t is al goed. Zwijg maar…’

Onderweg hebben wij veel rare dingen gezien.

Mensen die zich op de vreemdste plekken aan het verstoppen waren.

In een aalput, tot hun knieën in de stront.

In een schoorsteen, zodat ge enkel die twee oogjes kon zien.

Ge kunt het zo gek niet bedenken of de mensen kropen erin.

Zo bang waren ze.

 

En wij maar wandelen en wandelen.

En op den duur werd ik zo moe,

en mijn spieren deden zeer, ‘t zweet liep van m’n rug…

Maar toch wou ik niet stoppen

omdat ik het gevoel had dat er elk moment

een Duitser op een paard zou kunnen verschijnen.

Toen het donker werd, waren we kapot.

Zelfs den Klaus zei bijna niets meer.

Dus ik stelde voor om ergens in een veld te overnachten.

En in de laatste kilometer die we die dag hebben afgelegd, gebeurde het.

Het getrappel van paardenhoeven, het geklingel van een ketting.

Ik denk: ‘Oh nee, nu is het gedaan.’

En voor ik iets kan doen zie ik Klaus de gracht in springen en ’t veld inlopen.

Ik kan geen voet meer verzetten.

Vanuit de verte zie ik de schim van een ruiter op mij afkomen.

Hij heeft iets langwerpigs in z’n hand. Ik denk een lans.

Ik zak door mijn knieën en ik steek mijn handen in de lucht.

‘Alstublieft! Alstublieft, meneer den Ulaan! Sla mijn niet dood!

Ik ben nog veel te jong! Ik moet nog… Ik…’

Het paard komt tot stilstand, ik durf niet opkijken.

En het enige dat ik kan denken is: ‘Dat was het.’

Maar dan plots, een stem:

‘Ulaan? Ik ben godverdomme geen Ulaan!’

Ik kijk omhoog en ik zie een vent met een rode kop op een paard zitten.

‘Ik ben de boever,’ zegt hij, ‘van de boer hier wat verder.

En ik vlucht met mijn paarden naar Holland.

Allez, zeg ’n keer. Welke baan moet ik nemen?’

En voor ik het weet, is hij terug weg

en sta ik daar helemaal alleen te midden van de velden

met een hart dat uit mijn lijf bonkt.

(pauze)

‘Simon! Ca va?’

Ik draai mij om en ik zie Klaus van tussen de planten komen.

 

We hebben die nacht in het veld geslapen.

En tegen 10 uur de volgende dag waren we op de dichtstbijzijnde dorpsplaats.

En daar hoorden we dat het inderdaad vals alarm was geweest.

Maar niemand wist zeker hoe dat het gerucht begonnen was.

Volgens één iemand zouden er drie dronkaards

wat Duitsers hebben uitgelachen

en moesten ze als straf enkele kilometers voor hun paarden uit lopen.

Maar goed, wat het ook geweest mag zijn,

één ding was duidelijk: wij moesten terug naar huis.

Ik zie ons daar nog lopen.

Uitgehongerd, vuil.

Dezelfde, lange weg terug.

En de Klaus, die lachte niet.

Die zei geen woord meer.

‘Gij zijt wel ’n stoere gast,’ zei ik,

‘eerst staan vertellen dat het allemaal een gerucht is

en dan bij het eerste het beste er zelf vandoor gaan.’

En voor den eerste keer sinds dat ik hem kende,

kwam er geen gevat antwoord.

En de rest van de tocht liepen wij daar naast elkaar,

zonder een woord te zeggen.

Toen ik eindelijk thuis was heb ik gegeten als een beest.

‘k Heb mij in mijn bed gelegd en de hele dag geslapen…

 

De dag erop maakte ik een wandelingetje door ’t dorp

en kwam ik Marianne tegen,

het meisje met haar schoon, bruin haar, dat ik altijd in de kerk zag.

En juist wanneer ik besloten had dat ik weer niets ging zeggen,

hoorde ik haar roepen:

‘Hey Simon! Ik heb gehoord van Klaus dat jullie ook gevlucht waren.’

‘Ja. (pauze) Ja, we waren er precies toch niet gerust in.’

‘Hij zegt dat gij de enige was

die op de baan durfde te blijven

toen dat de Duitsers afkwamen. Is dat waar?’

En ik zie hoe da ze mij zo vol verwachting aankijkt,

met die schone ogen van haar…

Dus ik zeg: ‘Ja, Marianne, ja. Da’s zeker waar.’

 

DEEL 3

‘Weet ge wat?’ zei de Klaus. ‘Wat mij betreft, mogen ze mij afschieten.’

Hij zat met zijn rug tegen de muur.

Eén van de enige muren van zijn huis die niet helemaal zwartgeblakerd was.

De brand had praktisch alles vernield,

van de meubels was er niets meer over behalve een hoopje as.

Eén van de enige dingen die intact waren gebleven,

was de kruiwagen van zijn pa,

waar wij vroeger nog stenen mee hadden versjouwd.

‘Kom mee’, zei ik, maar hij reageerde niet.

‘Klaus, we moeten hier weg.’

En opeens keek hij mij aan.

Zijn ogen zaten diep in zijn kassen,

’t was alsof hij al dagen niet meer had geslapen.

‘En naar waartoe, Simon?’ vroeg hij. ‘Naar ’t buitenland zeker?

’n Nieuwen thuis vinden, ’n nieuwe vrouw,

prachtige kinderen krijgen, een villa bouwen met een grote boomgaard?

Nee sorry, maat. Daar geloof ik niet in.’

‘Wat gaat ge dan doen? Hier blijven of wat?’

‘’t Is overal dezelfde miserie, Simon.

Of dat ik nu hier blijf of niet,

dat maakt niet meer uit.’

‘Daar gaat ge alleszins geen Fransen hebben die u dood willen.

Kom nu mee, voor dat ze u vinden.’

Ik probeerde hem op te tillen

hoewel dat ik wist dat het bij een reus als hij onmogelijk was.

‘Doe geen moeite,’ zei hij, ‘ik wil toch niet.

En weet ge, da lucht wel eens op: niets willen.

Want al die verlangens, al die fantasieën, al die lust…

Man, dat kan vermoeiend zijn.’

Zo had ik de Klaus nog nooit gezien.

Pas op, d’r waren wel dikwijls dingen die hij niet wilde doen,

maar geen dingen van dat niveau.

Ik heb ’t over huiswerk maken, studeren, dat soort zaken.

De Klaus vond dat tijdverspilling.

‘Weet ge, Simon?’ zei hij dan. ‘Ge moet ’t systeem ù niet laten uitbuiten.

Gìj moet het systeem uitbuiten.

Ge moet juist genoeg punten halen om erdoor te zijn.’

En op het einde van het jaar kwam hij dan thuis met drie buizen op z’n rapport.

En dan was ’t zijn pa wel die hem de hele zomer ging uitbuiten…

Ja, de Klaus, da was een beetje een rebel.

Of ja, toch voor dat hij Alice leerde kennen.

 

Alice… dat was geen gewone.

Op ’n dag is die gewoon verschenen, zomaar, uit ‘t niets.

Er was niemand die wist waar dat ze vandaan kwam

of wie haar ouders waren.

’t Enigste dat we wisten, was dat ze ergens in een huisje woonde,

aan de rand van ’t dorp.

Een eenvoudig huisje, dat lang had leeggestaan.

Maar Alice zelf, die was alles behalve eenvoudig.

Dat was zo’n meisje, dat,

wanneer dat die nog maar door een straat wandelde,

dat het niet meer dezelfde straat was.

Dan was er daar iets aan veranderd, iets fundamenteels,

maar ge kon er u vinger niet op leggen wat precies.

En vroeg of laat zag ge het:

de dakpannen hadden precies wat meer kleur gekregen,

De ramen waren precies wat minder vuil, de stoep wat minder scheef.

Zo ging dat ook bij Klaus.

Toen dat zij in z’n leven kwam, veranderde die plotseling. BAM!

Opeens was ’t gedaan met van ’t ene meisje naar ‘t andere te fladderen,

’t was allemaal Alice, Alice, Alice dat de klok sloeg.

En ook zijn punten op school werden veel beter.

Want Alice zelf, dat was echt een ongelooflijk slimme.

En de Klaus, hoe intelligent dat hij zichzelf ook vond,

wou niet onderdoen voor haar.

En pas op, niet alleen z’n punten werden beter he,

hij hield z’n eigen ook opeens gedeisd in de les.

We wisten niet wat we zagen!

Die was zo in de wolken dat hij al de dingen

waar hij vroeger ongelooflijk kwaad van kon worden

niet eens meer opmerkte.

Dat werd zo allemaal een roze, honingzoete waas voor hem.

Dat was precies of dat die de hele dag high was.

En nu hoor ik u denken: ‘Dat is toch normaal, dat is toch verliefd zijn.’

Wel, wij hadden nooit gedacht dat verliefdheid iets was

dat effect ging hebben op den Klaus. Laat staan zo’n effect!

Dat was meer dan verliefdheid, dat was groter dan da,

dat was als ‘n droom waar dat hij in zat.

 

Maar hij heeft verdomme voor haar mogen vechten ze.

Want Alice was niet alleen een slim meisje, dat was ook een beeldschone.

Die had zoiets over haar, alsof dat die uit een anderen tijd kwam,

of van een planeet die wij nog moesten ontdekken.

Die had van dat lang, zwart haar dat heen en weer bewoog

alsof of da dat constant in het water hing.

En die droeg van die kleurrijke gewaden die niemand anders droeg.

En die ogen, manneke, die ogen keken precies dwars door u heen,

naar dingen die gij nooit ging kunnen zien.

 

Dus ge kunt u voorstellen,

wij hingen al snel in boskes om haar heen. De Klaus vooraan.

En hij heeft echt alles gedaan om haar te krijgen,

haar boekentas dragen, cadeautjes geven, noem maar op.

Maar het mocht niet baten.

En op een avond hadden we het erover.

Zegt hij: ‘Simon, wat moet ik in godsnaam doen

om Alice duidelijk te maken dat zij voor mij de perfecte vrouw is?’

Waarop dat ik toen heb gezegd:

‘Simpel, ge moet haar iets geven

dat de anderen haar niet kunnen geven.

Want Alice, dat is een slimme he?

Gij moet gewoon iets doen waar dat ze van achterovervalt!’

Maar goed, ’t was natuurlijk nog altijd Alice,

dus da was misschien gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Maar den Klaus zei: ‘Ok’.

En hij heeft zich toen ’n paar dagen teruggetrokken op zijn kamer

en toen hij opnieuw buiten kwam, zei hij:

‘Gasten, ik weet wat ik moet doen.’

En de volgenden dag is hij na school naar haar toe geweest

en heeft hij naar het schijnt het volgende gezegd:

‘Alice, ge weet, voor u zou ik alles willen doen.

Moest gij bijvoorbeeld willen

dat ik alle hoofdsteden ter wereld van buiten zou leren,

gewoon omdat ge daar die dag toevallig goesting in hebt,

dan zou ik dat doen.

Sterker nog, ik heb het al gedaan.’

En daarna is hij alle hoofdsteden ter wereld beginnen opsommen.

Maar echt allemaal he! Ook van eh… Kameroen en eh, Italiaans-Eritri—ri-rea…

Ja, blijkbaar was dat de Klaus zijn manier om te zeggen: ‘Ik zie u graag’.

En weet ge wat het beste van al was? Dat ’t verdomme nog werkte ook!

Normale meisjes zouden in slaap vallen of beginnen lachen

maar Alice, nee, die vond dat geweldig. Die hing aan z’n lippen. Die werd zot!

 

Vanaf dat moment waren zij twee altijd samen.

Onafscheidelijk.

’t Was soms wel een komiek zicht,

dan zag ge zo de Klaus

naast dat kleine, frêle meisje wandelen.

Of dan zat zij op zijn schouders

en hoorde je haar straten verder nog altijd lachen.

Ja, de Klaus heeft altijd graag mensen gedragen.

Dan pakte hij u zo vast, net op het moment dat ge ’t niet verwachtte.

En dan wham! stak hij u de lucht in!

En na ’n tijdje zei hij:

‘Allez Simon, nu is het eens uw toer om mij te dragen he!’

Hoewel dat hij goed genoeg wist da ik dat niet kon.

 

Ja… vanaf het moment dat Klaus met Alice was,

zag ‘k hem nog maar weinig.

En natuurlijk was ik blij voor hem,

maar aan de andere kant was ik ook m’n beste maat ’n beetje kwijt.

En ik weet nog dat in dezelfde periode

de sfeer in het dorp alsmaar grimmiger begon te worden.

We waren één van de laatste stukjes van België die nog niet bezet waren.

Maar de Duitsers hadden het dorp al een paar keer beschoten.

En er kwamen ook steeds meer Franse soldaten toe.

Klaus en ik hebben nooit veel van die mannen moeten weten.

Omdat we het gevoel hadden dat ze de hele dag

op onze vingers stonden te kijken. Ik werd daar ambetant van…

En gelukkig waren wij nog te jong voor de legerdienst,

want ik zag echt geen soldaat in mijzelf.

’t Enige dat ik ooit gedaan had dat in de buurt kwam,

was op wat kranten schieten met ’t pistool van Klaus z’n pa.

Maar ze zouden mij voor geen geld van de wereld

in zo’n loopgraaf krijgen, nee, nee…

 

En beetje bij beetje zag ik de mensen naar het buitenland vertrekken.

Eén van de enige gezinnen die zich niet liet wegjagen,

was het gezin van Klaus.

En op een avond kwam ik zijn moeder tegen.

‘Hebt gij efkes tijd, Simon?’ vroeg ze.

‘Ik zou eens iets moeten vragen.’

‘Ja, tuurlijk.’

‘Het gaat over onze Klaus.

De laatste tijd gaat het niet zo goed met hem.

Hij sluit zichzelf op in zijn kamer

en hij wil ons niet vertellen wat er scheelt.

Zou er iets zijn met Alice of zo?’

‘Euh, niet dat ik weet…’

‘Kunt gij eens met hem gaan klappen?’

‘Ja, geen probleem.’

Dus ik mee naar hun thuis.

De trap op, naar Klaus zijn kamer.

(klop gebaar)

 

‘Klaus, ’t is Simon.’

(pauze)

(klop gebaar)

 

‘Klaus? Kunt ge ’s open doen?’

Ik hoorde de sleutel in het slot draaien.

En zonder mij aan te kijken deed hij de deur open

en ging op zijn bed liggen.

Zijn kamer was een stort.

Overal boeken, kleren, kranten, etensresten…

‘Hoe is ’t met Alice?’ vroeg ik.

Hij zei niets terug.

‘Ziet ge haar nog of…?’

Hij schudde zijn hoofd en zweeg.

‘Wat is er gebeurd?’

En opeens zei hij het:

‘De Fransen.’

‘De Fransen?’

‘Ja. Ze hebben…

ze hebben haar verkracht, Simon.’

(pauze)

‘Wat?… Waar is ze nu?’

‘Weet ik niet.’

‘Maar Klaus, meent ge dat? Dat is verschrikkelijk…

Hebt ge al aangifte gedaan?’

‘Dit is tussen hem en mij, Simon.’

(pauze)

‘Hoe zo ‘hem’? Wie is dat, ‘hem’?’

‘Ik weet wie het gedaan heeft. En hij gaat ervoor boeten ook.’

 

Ik kon het niet geloven…

Er was niemand anders die iets

van een verkrachting had gehoord.

Het enigste dat onlangs was gebeurd,

waren een paar Fransen die hadden ingebroken in de kerk.

Maar dit was iets totaal anders…

 

Dus de avond erna heb ik gewacht bij Alice haar huis.

En toen ze buitenkwam, ben ik haar gevolgd.

Op een bepaald moment kwamen we aan bij het park.

En bij het hek stond er iemand te wachten.

’t Was donker, dus ik kon niet goed zien hoe hij eruit zag.

Maar ik zag direct dat ’t Klaus niet was, daar was hij te klein voor.

En opeens gaat Alice ernaartoe en geeft ze hem een kus op zijn mond…

Ik ben ze nog efkes gevolgd, maar ik hoorde het al snel:

ze spraken Frans tegen mekaar…

 

Dus ofwel was Klaus mij iets aan ’t wijsmaken,

ofwel – wat nog erger was – was hij zichzelf iets aan het wijsmaken.

En dan waren het niet de slechteriken die zijn droom bezoedeld hadden,

nee, dan was ’t gewoon zijn droom die hem verlaten had.

Ik heb hem ermee geconfronteerd

maar hij deed of hij mij niet hoorde.

‘’t Zijn allemaal monsters,’ zei hij. ‘Ze hebben geen respect voor ons.

Ze maken onze huizen kapot, onze vrouwen…

Ik zweer het u, ik ga ze iets aandoen.

Ik-… (pauze)

Gaat ge mij helpen?’

(pauze en hoofd schudden)

Verteller: ‘Nee sorry man…’

Hoe dat hij toen naar mij keek, dat ga ik nooit vergeten.

Alice had hem echt volledig zot gemaakt.

Dus als er één iemand was die de boel kon oplossen,

dacht ik, dan was het zij zelf.

 

‘We waren te verschillend, Simon’, zei ze.

‘Klaus sprak al over trouwen, over kinderen, over zich nestelen.

Maar ik ben zo niet.

Ik ben nog veel te jong om mij te binden.

En ik wil je wel proberen te helpen, maar volgens mij gaat ’t niets opleveren.’

Ze was nog geen twee minuten in zijn kamer

of ze kwam alweer naar buiten.

En ze zei: ‘Hij doet precies alsof ik niet meer besta.’

 

Die nacht word ik wakker van geweerschoten.

Dus ik naar buiten, de straat op.

Blijkt dat er iemand de kazerne van de Fransen heeft beschoten.

Dus ik begin te lopen naar de Klaus zijn huis

en hoe dichter ik kom, hoe beter ik het zie: het licht van vuur.

Dus ik begin harder en harder te lopen

maar het is te laat.

Vlammen zo hoog als het gebouw zelf.

Zijn huis staat volledig in brand.

En zijn ouders staan machteloos toe te kijken

maar van Klaus zelf is er geen spoor.

De volgende avond neem ik afscheid van mijn ouders

en ga ik terug naar Klaus zijn huis.

Ik begin het gebouw af te zoeken

En uiteindelijk vind ik hem,

verdoken in een hoekje, met zijn rug tegen de muur.

Hij ziet er bleek uit.

‘Hoe zijt ge hier geraakt?’ vraag ik.

‘Ze zijn u aan ’t zoeken in ‘t bos.’

‘Ja? Wel, laat ze maar zoeken dan.’

‘Kom mee voordat ze terug zijn!’

(pauze)

‘Weet ge wat? Van mijn part mogen ze mij afschieten.’

Ja, het was dus duidelijk dat Klaus niet uit eigen wil zou meekomen.

En opeens valt m’n oog op die kruiwagen.

(pauze)

‘Klaus, stel dat ik u zou kunnen dragen, zou ge dan tegenstribbelen?’

‘Ha… Als ge da kunt, Simon,

dan moogt ge mij brengen waar da ge wilt.’

‘Beloofd?’

‘Beloofd.’

Met veel moeite heb ik hem toen in die kruiwagen gekregen.

Want hij mocht dan wel niet tegenstribbelen,

meewerken deed hij ook niet.

En toen hij er eindelijk in lag,

zag hij eruit als iemand die gestikt was in de brand.

Zijn ogen dicht, zijn vel grauw, zijn kleren zwart van de as…

‘k Heb mijn trui over zijn hoofd gelegd,

zodat ze hem niet konden herkennen.

En ‘k heb hem naar buiten gereden en ‘k ben beginnen wandelen.

 

De lucht boven onze hoofden werd steeds zwarter.

En na een tijd hoorde ik een gesnik vanonder de trui komen.

Heel zachtjes, niet luider dan de wind die door het veld ruiste.

En toen het dorp al lang achter ons lag,

en mijn armen verzuurd waren

en ik eindelijk ’t eerste zonlicht kon zien,

hield het gesnik plotseling op.

‘Stop maar’, zei hij. ‘Ik denk dat ik weer kan lopen.’

 

DEEL 4

Mensen willen controle hebben.

Over alles en iedereen.

Ze willen weten wie ge zijt, wie ge écht zijt.

Zodat ze u kunnen vastnagelen

En een plakkaat op uw hoofd kunnen plakken:

‘Voilà, dat is wie gij zijt.’

Want zonder controle is alles mogelijk,

Zonder controle kan iedereen iedereen zijn.

En iedereen overal.

 

Ik ben een wandelaar.

Zolang als ik mij kan herinneren ben ik een wandelaar.

Ik zie mezelf nog wandelen door de tuin van Eden.

Voorbij rivieren, bomen en planten.

Ik zie Eva die vrucht nog plukken.

 

Ik ben overal geweest.

Ik ben alles geweest.

’t Is te zeggen: alles dat twee benen heeft en wandelt.

Een toerist en een vluchteling,

een Syriër en een Belg.

Maar tot het einde der tijden zal ik de wandelaar zijn.

 

Mijn naam is Hanin Daaboul.

Ik ben geboren in Syrië op 4 februari 1975.

Ik ben 41 jaar oud en advocate internationaal recht.

Toen het regime mij vroeg of ik voor hen wou spioneren

ben ik samen met mijn gezin naar het buitenland gevlucht.

 

Mijn naam is Jeroen Vanoverbeke

Ik ben geboren in België op 17 maart 1995.

Ik ben 21 jaar oud en heb last van astma.

Mijn hobby’s zijn: series kijken, uitgaan, muziek luisteren, gamen en lezen.

Ik heb mij door mijn vrienden laten overtuigen

om mee te gaan op trektocht door de Wicklow Mountains in Ierland.

En momenteel heb ik daar veel spijt van.

 

Mijn naam is Karel Verfaille.

Ik ben geboren in België op 23 november 1905.

Ik ben 13 jaar oud.

Mijn hobby is voetbal.

Onder de beschietingen van Ieper in 1915

ben ik met mijn ouders, mijn broer en mijn zus naar Nantes gevlucht.

Vandaag keren we terug naar de Kalfvaart in Ieper,

om te kijken of ons huis nog overeind staat.

 

We zitten opeengepakt in een veel te klein busje.

Rondom ons het geluid van dertig andere families.

Diepe mannenstemmen, gefluister, het gehuil van een baby…

Het is donker buiten.

Af en toe zie ik het schijnsel van de maan tussen de bomen.

De chauffeur zegt dat we bijna bij de grens met Turkije zijn.

 

Gisteren hebben we 18 kilometer gewandeld,

vandaag doen we er 25

en heb ik de eer om de tent te dragen.

We zijn al sinds vanochtend om 8 uur onderweg,

mijn trui kleeft aan mijn rug van het zweet,

mijn haar is vettig,

mijn benen doen zeer

en ik heb het gevoel dat ik nog amper kan ademhalen.

Kortom: ik ben kapot.

‘Misschien’, zegt een stemmetje in mijn hoofd,

‘had ge u toch wat moeten voorbereiden.’

 

Tussen de velden komt de tram tot stilstand.

Vader doet het teken dat we moeten uitstappen.

Alle andere passagiers volgen ons voorbeeld.

Ik weet dat we niet ver van Kruiseke zijn

maar we zouden evengoed in de woestijn kunnen staan.

De zon brandt op onze hoofden

en we staan ten midden van een onmetelijk distelveld.

Enkel in de kraters die de granaten hebben geslagen, groeit niets meer.

In de verte zie ik het geraamte van een verwoeste boerderij.

Mijn oudere broer tikt mij op de schouder.

We moeten verder.

 

Plotseling remt de chauffeur

en roept hij: ‘Hier eruit!’

Eén voor één stromen we naar buiten, de koele nachtlucht in.

En terwijl de laatste nog uitstapt, vertrekt de bus alweer.

Ik grijp de hand van mijn dochtertje vast.

Naast mij loopt mijn man met onze zoon op zijn arm.

De rand van het bos komt steeds dichterbij.

Plotseling het fluiten van kogels.

Voor mij zie ik een vrouw ineenzakken.

Ik neem mijn dochtertje in mijn armen

en begin tussen de bomen te lopen,

steeds sneller en sneller.

Takken strijken langs mijn gezicht.

Ik val bijna over een boomstronk.

Mijn man! Waar is mijn man?

En dan plotseling in de verte:

scherven maanlicht op het water.

 

Maar hoe bereid ge u voor

Op ’n berg met zo’n hoge stijgingsgraad

Da ge er bijna van af valt?

Of op die dikke mist hier

waarvan uw zweet ijskoud wordt.

Tientallen meters voor mij zie ik mijn maten

naar boven huppelen als berggeiten.

Af en toe draaien ze zich om en roepen ze iets als:

‘Jeroen! Ca va?’

of ‘Straks ga ik de tent wel eens dragen he.’

En dan roep ik terug: ‘Ja ja.’

Of: ‘Nee, nee, dat hoeft niet hoor.’

 

‘De berglucht gaat u deugd doen’, zeiden ze.

‘Da’s goed voor uw astma. Echt waar.’

Dus hier ben ik nu.

En ik heb het gevoel dat ik elk moment kan doodvallen.

 

De zon brandt op mijn rug.

Ik ben nat van het zweet.

En nergens is een streepje schaduw te vinden.

Er lijkt maar geen einde aan de weg te komen,

’t enige wat we zien is distels en nog meer distels.

Af en toe een boom met een versplinterde kop,

wat stenen of de resten van een huis.

 

Sinds juli 1919 wonen we weer in België, in Wevelgem.

Eindelijk kan ik opnieuw Vlaams spreken.

Op school, in de winkel, op straat….

Maar toch voelt het vreemd om terug te zijn,

want ik begon mij juist op mijn gemak te voelen in Frankrijk.

 

Eén van de smokkelaars kijkt recht in mijn gezicht.

Zijn ogen doen me denken aan die van een roofdier.

We klauteren uit het bootje en komen in een grote vissersboot terecht.

Beneden in het ruim leg ik mij op de grond.

Mijn man en mijn twee kinderen komen naast me liggen.

Het enige wat ik nu wil, is slapen.

 

Eindelijk.

Eindelijk ben ik op de top geraakt.

Ik gooi mijn rugzak van mij af en ga op de grond liggen.

Mijn beloning?

Een stuk brood en een dikke plak salami.

De mist is hier zo dik

dat ik m’n maten bijna niet kan zien zitten.

En dat blijkt nogal vervelend te zijn,

wanneer ge de boter wilt doorgeven.

 

Praten gaat nog altijd moeilijk.

Maar beetje bij beetje voel ik m’n longen

terug opengaan.

’t Is hier muisstil, het enige geluid

is dat van de wind die langs de bergflank waait.

En ik wou dat ik ervan kon genieten,

maar daarvoor heb ik het veel te koud.

 

We komen aan op de dorpsplaats in Geluveld.

Mocht er geen naambordje staan

dan zouden we het niet gemerkt hebben.

Het dorp is volledig van de kaart geveegd.

Alle gebouwen zijn tot gruis geschoten

door duizenden kogels en kanonballen.

 

Eindelijk heb ik de tijd om even op adem te komen.

Mijn spieren doen zeer van de klim.

Maar na enkele minuten staat mijn vader alweer op.

We moeten door.

Boven onze hoofden cirkelt een groep meeuwen.

Zouden ze het brood al gezien hebben?

Ik snijd het in vier stukken en deel het uit.

Het smaakt nog steeds naar de zee.

Eén van de smokkelaars brengt ons water.

En ik zeg niet tegen mijn kinderen dat ik heb gezien

dat het uit een dieseltank komt.

 

We steken ons eten weg en maken ons klaar voor het laatste deel van de tocht.

Eén van mijn vrienden kijkt op de kaart en zegt

dat we nog even op deze hoogte blijven,

maar dat het daarna bergaf is naar de camping.

‘En het eerste dat we daar gaan doen,’ zegt hij, ‘is een ijsje eten.

Wat denkt ge? Goed idee?’

Nog nooit van mijn leven heb ik zoveel zin gehad in een simpel ijsje.

 

We komen aan bij de Zandberg.

Rechts van de weg zie ik het verschroeide landschap.

Hier staat zelfs geen sprietje gras meer.

Alles is zo hard als steen en ligt te blakeren in de zon.

In de verte zie ik vier tanks.

Ze lijken op logge dieren die in de modder zijn vastgelopen.

 

Eindelijk opnieuw wandelen.

Na twintig dagen op zee heb ik het gevoel

dat ik niet meer weet hoe het moet.

Mijn knieën zijn week en ik heb honger.

Vreselijke honger.

Bij de ingang van de haven zien we drie politieagenten staan.

Ik probeer vriendelijk te glimlachen.

Ze komen naar ons toe, grijpen ons vast.

Wanneer mijn man protesteert, geven ze hem een slag op zijn hoofd.

 

Even later zitten we op een vuile matras in een turnzaal

die dienst moet doen als vluchtelingenkamp.

Van een Nigeriaan horen we

dat we elke dag maar drie uur buiten mogen komen.

Hij zelf zit hier al maanden te wachten.

 

De mist maakt plaats voor fel zonlicht.

Mijn lichaam stopt met rillen.

We doen onze jassen en truien uit

en zetten onze zonnebrillen op.

Wanneer we voorbij een bordje komen

waarop staat ‘Roundwood Camping Park: 2 km’ doen we bijna een vreugdedansje.

 

We zijn nu dichtbij ons huis.

Aan de horizon kan ik de Halle en de St-Maartenskerk al zien,

of toch wat ervan overblijft.

Hoe dichter we komen, hoe trager de tijd lijkt te gaan.

Overal om ons heen: vernieling.

De kans is groot dat er niets van ons huis overblijft, dat weet ik.

Maar ik mag de moed niet opgeven.

En dan, eindelijk, zien we de eerste tekenen van leven:

een hotel en een viertal barakken aan de Bascule.

 

Deze ochtend hebben ze ons gezegd dat we mogen gaan.

Waarheen weet ik niet.

We wandelen en wandelen maar. Doelloos door de stad.

Na een tijd stel ik voor om met de trein naar Parijs te gaan.

Mijn man knikt.

 

Wanneer we in de stationsbuurt aankomen,

zien we iemand uit een camionette stappen.

‘U kunt beter de trein niet nemen’, zegt hij.

‘Dan stuurt de politie u gewoon terug.’

Ik kijk naar mijn man en kinderen.

Ik kan me niet herinneren wanneer mijn zoontje zo mager is geworden.

‘Mijn naam is Karim’, zegt de onbekende plots.

Hij glimlacht.

‘Als u wil kan ik u naar België brengen.’

 

We zetten de laatste kilometer in

en beginnen luidop te fantaseren over de avond:

onze tent opzetten, douchen,

een ijsje en dan de stad in,

waar we een sappige beefsteak gaan eten en Guinness gaan drinken.

 

Wanneer we de hoek omgaan,

staan we plotseling in onze vertrouwde Kalfvaart.

Van de eerste rij huizen die we zien,

blijven alleen ruïnes over.

Brokstukken van wat ooit een nest is geweest.

Mijn hart bonkt in mijn keel.

Ik herken mijn eigen straat niet meer.

Maar ergens voel ik dat we steeds dichter en dichterbij komen.

Ik weet niet of ik het wel wil zien.

 

Ik open de deur van onze kamer.

Mijn kinderen zitten aan tafel te werken voor school.

Ik stop de hemden en de broeken in de kast.

Eindelijk kan ik weer zelf mijn kleren kopen.

Plots hoor ik het geluid van een opstijgend vliegtuig.

Mijn zoon schrikt op van zijn schrift

en gaat met zijn handen over zijn hoofd op de grond liggen.

Ik ga bij hem zitten en wrijf zachtjes over zijn hoofd.

‘Het is niets’, zeg ik. ‘Shhh…’

Maar dat het opvangcentrum naast een vliegveld ligt,

daar kan ik niets aan doen.

Na een tijd bedaart hij.

 

We zitten frisgewassen in het gras voor onze tent.

In onze handen een supertwister in groene, witte en roze tinten.

Terwijl ik lik, kijk ik naar de exotische palmbomen

die boven de haag uitsteken.

Dan belt mijn vriendin mij op.

En wanneer ze vraagt hoe het gaat, zeg ik:

‘Als ge een hele dag gewandeld hebt door de bergen,

en uw lichaam doet zeer,

en er zitten bleinen op uw tenen zo groot als uw tenen zelf,

dan is een ijsje eten het beste wat dat ge ooit hebt gedaan.’

 

We zijn er.

We zijn bij ons huis.

Ik zie hoe mijn vader zijn handen in de lucht gooit.

Ik zie hoe mijn zus de muren aanraakt.

Mijn ogen worden warm en zwaar.

Ons huis is het enige van de rij dat nog overeind staat.

 

Rust. Eindelijk.

Eindelijk rust.

Eindelijk thuis.

 

 

Bibliografie

Misjoe Verleyen en Marc De Meyer, Augustus 1914: België op de vlucht (Antwerpen: Manteau)

Siegfried Debaeke, 24 augustus 1914: De gekste dag van de oorlog (Brugge: De Klaproos)

Siegfried Debaeke, Ik was 20 in 1914: dagboek van Jeroom Leuridan (Brugge: De Klaproos)

Menin Road-Ypernstrasse – De weg Ieper-Menen 1914-1918 (Tielt: Lannoo)

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s