De Lach van de Wasbeer

Ik luister hoe de melodie van de ijscowagen zich een weg baant door het donker. Rita ligt naast mij in bed. Ik moet gaan. Wanneer ik de gang in wandel, valt er een streep licht door de kamer en even hoor ik haar adem stokken. In een flits zie ik het paarse dekentje waarin ze zich had gewenteld toen ze in de zetel zat, haar mond een jammerende wonde. Ik open de voordeur. De wagen straalt een warmte uit die ik bijna kan aanraken, als een zinderend vrouwenlichaam. Witte druppels ijs rollen over haar lippen en kin.

‘Papa?’

Het is stil. Alsof de vrouw rondom mij versteend is. Wat overblijft zijn mijn ogen die een halve cirkel beschrijven in de lucht. De top van een paardenstaart, grote, katachtige ogen. Sara’s gezicht verschijnt.

Sorry schat.

Mijn blik draait alweer weg, dieper de nacht in. Ik zie nog net hoe iets begint te trillen in haar mondhoek.

Verlichtingspalen razen voorbij. Sara’s regenboogkleurige kettinkje ratelt tegen de achteruitkijkspiegel. Uit de romp van de ijscowagen stijgt een gekrijs op, de volumeknop is verdwenen.

Continue reading “De Lach van de Wasbeer”

Advertisements