De Stroom

December. Het heeft gesneeuwd. Tussen de velden staat een brug. Autowielen hebben lijnen getrokken in de sneeuw, waaruit aan weerszijden van de weg verlichtingspalen oprijzen. Het enige hoorbare geluid is het ruisen van de snelweg die onder de brug loopt.

Uit de achtergrond stijgt het ritme van voetstappen op. Een kleine jongen in een donkerblauwe jas verschijnt aan de voet van de brug. Hij draagt een boekentas en op zijn hoofd staat een zwarte pet. Bedachtzaam wandelt hij naar boven, kijkt naar zijn voeten die bij elke stap krakend in de sneeuw verdwijnen. Er steekt een colaflesje tussen de metalen vlakken van de vangrail. Hij kijkt achterom naar de maan die vervaagt in de resten van de nacht en wandelt vervolgens verder naar de top. Daar aangekomen schudt hij de zware tas van zijn schouders, vangt hem op in zijn rechterhand en zet hem naast zich tegen het hek. Aan de horizon ziet hij de rode rivier van achterlichten verdwijnen, alsof de wereld daar ophoudt en alles naar beneden wordt gezogen, de duisternis in.

Zijn blik valt op de auto’s die onder hem door schieten. Hij bukt zich en neemt wat sneeuw in zijn hand. De kou bijt in zijn huid. Hij kijkt tussen de tralies naar de snelweg en drukt de sneeuw samen tot een bal. Hij staat opnieuw recht. Voorzichtig kijkt hij over de rand van het hek, brengt zijn armen naar voor, wacht tot hij het geronk dichterbij hoort komen en laat de sneeuwbal vallen. Hoe hij kleiner wordt in de diepte en openspat op het asfalt, zo’n twee meter achter de auto. Als een waarschuwing, of een teken van bovenaf. De ijskoude lucht raast door zijn longen. Het voelt alsof hij voor de eerste keer die ochtend echt ademhaalt. Er vlamt iets op in zijn ogen. Opnieuw bukt hij zich en maakt een sneeuwbal. Hij kijkt naar beneden. Rode vegen licht. De sneeuwbal als een kogel in zijn handen. Het geluid van een wagen die onder de brug door rijdt. Wolkjes lucht die tussen zijn lippen opwellen. Hij laat los. Een witte bloem klapt open op het dak van de auto. Heel even lijkt het of het volledig stil is. De auto wijkt lichtjes af naar rechts maar rijdt dan door alsof er niets gebeurd is. Een vogel vliegt over. Hij luistert naar de snelweg, die ruist als voordien. Kon hij de stroom maar buigen en de auto’s laten terugkeren naar waar ze vandaan komen. In de verte ziet hij de auto met de sneeuwbal op zijn dak. Hij is nog slechts een blinkend puntje op weg naar de opkomende zon die door de wolken schuift. Niet lang meer voor hij voor altijd verdwijnt achter de rand van de snelweg.