Centre Pompidou

ik zag een kind van een jaar of tien
grabbelen in een doos vol figuren
hij koos twee groene cirkels
en twee rode balken

ze waren doorzichtig
en lagen op een lichtbak,
die ze projecteerde
op een ingekaderd scherm dat
enkele meters verderop stond

ik stond vlakbij dit scherm en kon
elke beweging van zijn vingers volgen

het werd me duidelijk wat kunst echt is:
het verhaal van een kind, dat rust vindt
in eindeloos herschikken en proberen

Advertisements

‘Achter de muur’ als tip van de week op Azertyfactor

Vandaag koos romanschrijver en uitgever Inan Akbas mijn prozatekst ‘Achter de muur’ als tip van de week op Azertyfactor.

http://azertyfactor.be/

Akbas over mijn tekst:

“Een good old story over Eros en Thanatos. Meer moet dat niet zijn. Meer mag dat niet zijn. In vier paragrafen schetst Deraedt het wezen van de mens. De openingszin prikkelt de nieuwsgierigheid van de lezer en schept verwachtingen. Wij worden al in de eerste alinea een voyeur, evenzeer als de ik-persoon. Er is niets anders te doen, stelt de schrijver. Op ons wacht enkel een oneindig zwart.”

ACHTER DE MUUR

Ik lag naar boven te staren terwijl het gekreun langzaam door de sponzen muren mijn kamer binnendreef. De toon van de mannenstem begon te stijgen, alsof zij met haar tanden… Een straal lantaarnlicht hing als een vlies in de kamer. Helemaal donker was het hier nooit. Alleen op de gang kon ik soms het gevoel hebben dat er rondom mij niets meer was. Dat ik, zodra het licht uitviel, niet meer in een gang stond, maar in een oneindige, zwarte ruimte.

Op zo’n momenten zag ik mezelf weer schreeuwen in een ander bed, met de gestolde schaduw nog in mijn keel. Ik was jong en had net besloten dat er geen hemel kon bestaan. We kregen les over bijna-doodservaringen die week. Ik kon er maar niet bij dat iemand zo nuchter kon vertellen over zoiets waanzinnigs. Hoe iemand zichzelf vanuit bovenaanzicht ziet knielen in de hoek van een kamer. De huid zo wit dat hij bijna begint te gloeien. De ogen zo doorzichtig dat het lijkt alsof je er een vinger doorheen kan steken. Omdat zulke beelden voor mij te groot waren, probeerde ik me dan maar het eeuwige niets voor te stellen. De dood. ’s Nachts zag ik hem over de vloer kruipen als een oude vriend. Achter het glas stond een gele maan boven de boomtoppen. Ze was reusachtig die nacht, een uitgezakte ballon die zoemend naar de bodem zonk. Het duister gleed mijn keel binnen en begon er op te zwellen. In mijn hoofd ontvouwde zich een zwart doek dat eindeloos bleef groeien tot alle hoeken van mijn geest gevuld waren en de wanden op barsten stonden. Ik stikte, brulde zo hard als ik kon en liep weg van het bed, de kamer uit.

Pas wanneer ik de oranje lichtknop induwde, was er opnieuw een gang met vijf deuren, op de derde verdieping van een kotgebouw, op de hoek van een straat, in een stad die sloot op vrijdag, wanneer de studenten als bezoekers van een pretpark naar huis zwermden op het monotone geruis van hun koffers.

Ik bewoog mijn bekken op het ritme van de geluiden achter de muur. Mijn armen had ik rond het deken geslagen, dat geklemd zat tussen mijn lichaam en de matras. Ik duwde mijn hoofd dieper in het kussen en greep de ingebeelde vrouw onder mij stevig vast. Bij elke zucht trok er een warme golf door me heen. Hoe mijn vlees haar bijna kon proeven en haar aanwezigheid voelde in elke vezel.