Vuurkeel

I

Een klauwende koorts
nestelt zich in mijn keel,
roodgezwollen van het bloed
dat jaagt, steeds meer wegen afrent
op zoek naar het heilig pistool

Ik kan alleen maar door
de knieën bij het zien van zoveel
woedende, slapeloze kracht
Het ene moment de gestoorde sjamaan,
dan weer de doorzichtige vlinder

Zelfs zijn vrienden weten niet
wat hem drijft, gevaarlijk dicht
bij de rotsen soms, hun tanden in zijn nek
Maar ze weten wel
dat hij een dichter is, dus enkel op zoek
naar een oor en een hart

II

Ook verder en verder moet ik nu
van de vertrouwde kust
Horen wat ik nooit dacht te horen,
dat in mijn verleden een melodie haakt,
frivool en onnavolgbaar snel,
die me dingen leerde
waarvan ik nooit wist waar of hoe

Branden moet ik,
samen met mijn broeders
de kolen vertrappelen
die zich tussen ons in wringen
om onze dromen te benevelen
en de goedkoopste dood aan te smeren

Maar in mijn smeulende laagtes
mogen zij mijn gezicht niet zien,
dus leg ik alle wapens opzij en kijk
achterom, weet ik dat ik enkel vluchtte,
schreef in gedachten dat dit een doel had
maar zwolg intussen,
lachte, huilde, rende, stampte en verdween

III

Mijn oude vrienden hielden het niet vol,
nieuwe proberen het toch,
denken niet na maar leven hard
en hard en hard en hard

Met opengeklapte borst
bereik ik nu mijn bestemming,
waar een zwart kind
zonder moeder loopt,
zijn vingers opgetild door de lucht

Laat de nacht onthoofden en
alle handen vrij, twee stenen donderen
eindeloos ineen, en weer tegen,
verder uit elkaar, naar beneden
Deze spanning tussen twee
stenen, zo wilden wij ook zijn

IV

Laat mijn lichaam maar vollopen
met de nieuwe dagen, de nieuwe vachten
en nieuwe gezichten

Want vlucht de acteur niet ook
in een telkens andere vorm
van wie hij nooit is geweest

Geeft geen enkele droom hem de rust
die hij zoekt, zetten we nu alle lijfklokken
gelijk, vallen samen uiteen in andere kamers

V

Aan weerszijden van deze blikken tunnel
laat het groene, wijde lichaam me achter
en sleurt brutaal de dagen
uit mijn verbaasde mond

Laat de vlammen in mijn armen
zingen vannacht,
de maan onverbiddelijk verslinden met vuur,
nieuw vuur, altijd vuur
Mijn hart slaat door mijn huid
Hou vol, hou vol, hou vol

We tasten de grenzen af
van dit lichaam en voelen
waar het vlees eindigt
en de wonden beginnen

VI

Elke druppel leven vlucht
naar het brein, compleet vervormd
door duizenden indrukken,
geluiden en beelden
van een zinkend, brandend lijf

De gedachten worden al even ziek
als het vlees zelf, de ogen groeien,
plooien open en de brul weerklinkt

Ik leef