Krijtstrepen

vandaag stond de jongen vroeg op,
haalde wat munten uit de zware kist
en toen hij dacht dat het tijd was,
brak hij de wijzers van de wandklok
en stapte de ochtend in

de speelplaats waar hij altijd voorbijkwam,
behelsde vele leugens, verhalen over meisjes
die hun moeder misten, soldaten met jeukende buiken
en een dorst naar het leven, de hamer, het geld

vroeger zag hij er witte, magere mannen
met slangenharen en bruingevlekte lepels
maar toen ze roken dat hij luisterde,
brandden ze hun verleden in zijn nek
met naalden van suiker
in de weken die volgden, stopte hij kogels
in zijn broekzak om een vuist te maken
wanneer het moest

vandaag zat er meisje met ontblote benen,
de kuiten van een danseres in zwarte kousen
ze droeg een veel te groot hemd, waarvan
ze de knopen aan haar piranha’s had gevoed

hij hoorde haar fluisteren, stilletjes zingen
over de nacht en de gele maan
die ze op haar plafond had geschilderd,
over het tijgerskelet op haar bed
en over de man achter het blauwe gordijn

hij wou een teken achterlaten op het beton
zodat hij zich zou herinneren dat hij haar hier had gezien
want waar was ze al die tijd geweest
en hoelang zou hij haar deze keer moeten missen?
hij nam een stuk krijt
en begon haar te omcirkelen
terwijl de grond langzaam nat werd

ze stopte met zingen, haar lippen bleven op een kier
verbaasd streelde ze de tulpen in haar haren,
een zon droop uit haar oog, gleed als een snoer
over haar wang, langs haar hals naar nooit meer

ze dansten tussen de lichtvlekken
die door het hout dwarrelden
en de gestroopte wezels deden gloeien,
boven in de boomhut, waar ze ’s avonds
stokbrood aten en ze vertelde
dat ze haar moeder nooit had gekend

en hij vroeg haar om hem over zeven jaar
opnieuw te ontmoeten, wanneer ze groot zou zijn
en zou ruiken naar een parfum uit de stad

ze zouden zingen tot de ochtend en de glazen zouden
rinkelen en ze zou op zijn schoot komen zitten
en haar ogen zouden zo dichtbij zijn, haar adem zo warm
en haar lichaam zo echt en zacht en zijn armen breder
dan de armen van de vissers en de nacht zou eeuwig zijn
en zich wentelen in een huid van brandende kolen
en visioenen van verdronken slapers waar ze niet
om zouden treuren, maar lachen en brullen
en elkaars beten ontwijken

maar eerst zouden ze moeten vergeten, van de speelplaats,
de man achter het gordijn, het krijt en het brood

Advertisements

Beetje bij beetje

Beetje bij beetje wil ik jou
Beetje bij beetje wil ik jou leren kennen,
hebben, strelen en moeten

wil ik met jou de woorden delen
die de leegte tussen ons verbindt en
de stiltes die we samen zuchtten
met onze hoofden uit het raam, kijkend naar
andere vensters waarachter andere mannen
en andere vrouwen de dag openvouwden

terwijl wij het rusten vergaten en de manen
in elkaars haren herkenden als gezichten
van naamloze vrienden op straat
Zo hielden wij elkaar vast en zo legde jij je zorgen
in mijn nek, omdat gisteren nooit meer komen zou

Je sloot je ogen en zonk weg, hoorde zelfs niet
het bonzen op de deur, de purperen soldaten
die jou en mij benaderden omdat wij waren,
samen staarden naar nieuwe sporen die ons
zouden leiden naar waar ik wel wist dat ik kon
zijn met jou en mij, de avonden en jouw ogen
in je vermoeider gezicht, ouder dan op de foto

En beetje bij beetje vind jij je vorm
terug in het zwartgeblakerde gras
Beetje bij beetje vergeet je hoe je
gisteren was en word je opnieuw verlangen

Schoon Schip

In de nieuwe editie van het literair tijdschrift Schoon Schip staan vier van mijn gedichten: de cyclus ‘Adem’ en het gedicht ‘De Beweging’. Naast mijn poëzie is er ook werk te lezen van talloze andere schrijvers zoals John Toxopeus en Leo van der Sterren.

Schoon Schip is te verkrijgen via de site: http://schoonschip.skynetblogs.be/

Een fragment uit ‘Adem’:

Neem me mee naar de overkant, m’n duif,
en toon me waar de donderkoppen wonen.
Zeg me waar ik zeepbellen vind
om in m’n haren te strijken. Maar ik zal je

niet geloven. Want mijn haar is lang en moe
en de dagen zijn als nieuwe bessen in mijn hand,
zich wentelend in het vroege, gouden licht.

En hoeveel langer kan mijn adem worden?
Zij strekt haar marmeren hand uit naar de dag
en zij groet en groeit.