Deus De Poche II

Er zijn vier gedichten van mij opgenomen in Deus De Poche II, een pocketeditie van het tijdschrift Deus Ex Machina.

IMG_20160621_151328

De redactie groef zich naar eigen zeggen een weg doorheen de honderden inzendingen die sinds 2013 in hun mailbox beland waren en selecteerde uiteindelijk zestien auteurs en een literaire grafica. Ik voel me dan ook vereerd om tussen namen als Frederik Willem Daem en Max Temmerman te staan.

IMG_20160621_151235

Je kunt Deus De Poche II hier bestellen.

 

Publieksprijs Schrijfdag 2016 ‘Je sterkste wapen’

Publieksprijs gewonnen op de Schrijfdag met mijn Zeer Kort Verhaal ‘Je sterkste wapen’. Bekijk hier de posters die Ward Zwart maakte bij de vier geselecteerde teksten.

Je sterkste wapen

Je moet van je grootste gebrek je sterkste wapen maken, dacht Marianne en ze vijlde haar tanden tot vlijmscherpe mesjes. Toen ze klaar was, lag er een fijn, wit poeder in de wasbak. Ze keek in de spiegel en ontblootte haar gebit voor de laatste keer. Voortaan zou ze haar wapens verbergen in de warme plooien van haar mond, er niet mee te koop lopen maar ze enkel gebruiken wanneer ze niet anders kon, zoals cowboys in een westernfilm.

 

Young Poets gedichtenwedstrijd

Ik heb met mijn gedicht ‘Het’ de tweede prijs gewonnen in de wintergedichtenwedstrijd van Young Poets rond het thema ‘Reizen’. Het gedicht wordt in augustus 2016 opgenomen in literair jongerentijdschrift Ochtendlicht.

De jury over mijn gedicht: “De dichter stapelt een aantal ongewone beelden op tot een gedicht. De kracht ervan zit net in deze absurde opeenstapeling die gedoseerd blijft. Vooral het beeld van een overvol strand spreekt tot de verbeelding en getuigt ook van een vermogen om visuele beelden om te zetten in ijzersterke taal van prachtig volwassen zinnen.”

HET

er is nog adem op de ruit
het regenbos dat brandt
de vachten van de maan
in oliehuid verkoold

er zijn nog haken in je stem
de liftkoker doorboord
een helm, je ritst gedempt
de tongen uit het zand

er is nog kneden voor
het smelt, het harde in je palm
het roert zichzelf de meester
een asvlok op het glas

plots valt het voorover
noemt zichzelf nog god
sleurt het aan het laken
de dode spiegel in

en dan
rijstrook na rijstrook
als witte duiven uitgelepeld
de lijven op het strand

Kluger Hans #28 – Conformisme

KH28_cover-722x1024

Mijn gedicht ‘dialoog met een haardroger’ staat in Kluger Hans #28, tussen het werk van o.a. Marieke Rijneveld, Peter Mangel Schots, Anne Broeksma en Tijl Nuyts. Het thema van het nummer is conformisme.

Een voorsmaakje:

‘natuurlijk hebben we genoeg van de muur

die zich als een geruisloze slang om Europa windt

 

maar verkeersberichten blijven de beste mantra’s

voor het woekeren van ons geslacht

dat zich opkrult en kirt als een vraagteken’

 

De Lach van de Wasbeer

Ik luister hoe de melodie van de ijscowagen zich een weg baant door het donker. Rita ligt naast mij in bed. Ik moet gaan. Wanneer ik de gang in wandel, valt er een streep licht door de kamer en even hoor ik haar adem stokken. In een flits zie ik het paarse dekentje waarin ze zich had gewenteld toen ze in de zetel zat, haar mond een jammerende wonde. Ik open de voordeur. De wagen straalt een warmte uit die ik bijna kan aanraken, als een zinderend vrouwenlichaam. Witte druppels ijs rollen over haar lippen en kin.

‘Papa?’

Het is stil. Alsof de vrouw rondom mij versteend is. Wat overblijft zijn mijn ogen die een halve cirkel beschrijven in de lucht. De top van een paardenstaart, grote, katachtige ogen. Sara’s gezicht verschijnt.

Sorry schat.

Mijn blik draait alweer weg, dieper de nacht in. Ik zie nog net hoe iets begint te trillen in haar mondhoek.

Verlichtingspalen razen voorbij. Sara’s regenboogkleurige kettinkje ratelt tegen de achteruitkijkspiegel. Uit de romp van de ijscowagen stijgt een gekrijs op, de volumeknop is verdwenen.

Een flash, ik schrik recht. De omtrek van de kamer doemt op uit het licht, Kristien zucht en draait zich op haar zij. Ik besef dat ik geroepen heb in mijn slaap. Door het raam gutst de stad naar binnen. Een zure smaak in mijn mond. Ik slik, kruip uit bed, gris het pakje Pall Mall en de aansteker van de kast en wandel naar het raam. Mijn armen kleven aan mijn zij van het zweet. Om de één of andere reden heb ik die droom de laatste tijd weer vaker, alsof er iets veranderd is aan het ritme van de straten of de smog die er als een koepel overheen hangt. Ik steek een sigaret op en ga uit het raam hangen. De auto’s beneden stoppen voor het verkeerslicht en er steekt een groepje toeristen over. Eén van hen laat zijn blik glijden over de ramen van de appartementen en kijkt mij aan. Hij lijkt het een interessant beeld te vinden – naakte oude man, sigaret tussen de vingers – en blijft staan midden op het zebrapad, neemt de camera die rond zijn nek bungelt, kijkt door de zoeker en klikt af. De auto’s beginnen als één wezen te toeteren. In gedachten zie ik de toerist door de voorruit breken van een zwarte Renault die wat verderop staat, zijn camera versplinterd tot betekenisloze stukjes glas en metaal. Zijn vrienden op de stoep gebaren dat hij door moet wandelen. Ik mik mijn peuk in hun richting en volg de sliert vonken die hij uitspuwt. Achter mij hoor ik Kristien wakker worden.

‘Kom je terug in bed?’

Ik ga liever iets eten in de stad in plaats van naast haar te liggen stinken.

 ‘Ik moet gaan werken, dat weet je toch.’

Ze knort afkeurend en ik moet denken aan een pratend varkentje dat ik eens zag in een kinderfilm. Ik haal een fles melk uit de koelkast en kijk haar aan, er zit een korrelige vlek onder haar rechteroog.

 ‘Ik beloof dat ik je ga bellen’, zeg ik en ik neem een slok om de alcoholsmaak uit mijn mond te spoelen. Ze draait zich op haar buik, haar rode krullen wolken op boven het laken. Ik wandel naar haar toe en blijf even kijken hoe haar rug op en neer deint, sla dan op haar kont en verlaat de kamer.

 De stad kolkt om me heen in een walm van stroopwafels en parfum. Het is donker in mijn pak. Ik moet altijd mijn hele hoofd bewegen om een andere hoek van de winkelstraat te kunnen zien. Het voelt alsof ik in een gigantische, zonovergoten kijkdoos staar, met poppetjes die alle kanten uit gaan. Mijn pak stelt een wasbeer voor met brede grijns, uitpuilende ogen en rode pet. Kinderen pikken alles. En ik hou van al die blije gezichtjes en lekkere moedertjes die met mij op de foto willen. Het maakt ze niet uit wie in het pak zit, de wasbeer, daar gaat het om.

‘Walter!’

Het is Rudolf, de uitbater van de ijswinkel. Hij hangt over de toonbank, waarvoor een lelijk wijf met kanariegele schoenen staat. Ze kijkt me aan alsof ik net haar chihuahua, die ze sowieso heeft, door een vleesmolen heb geduwd. Rudolf wenkt me naar binnen. Ik wandel de winkel in zonder de vrouw nog een blik te gunnen. Hij wacht me op in het achterkamertje.

‘Ik ga niet rond de pot draaien. Die mevrouw die daar stond, kwam me- eh, Walter, zou je je masker kunnen afnemen?’

‘Sorry.’

Totaal vergeten. Ik zet mijn masker af.

‘Die mevrouw kwam mij zeggen dat ze jou heeft zien drinken. Whisky, dacht ze.’

Er valt een stilte. Op straat speelt een meisje een lied op haar ukelele.

‘Je weet toch dat ik dat nooit zou doen, met kinderen in de buurt.’

‘Walter, die mevrouw gaat daar niet over liegen.’

Verdomme, kutwijf. Rudolf kijkt me koel aan. Hij ziet eruit als de gebronsde bink uit elke Amerikaanse tv-film.

‘Oké, misschien heb ik een klein slokje genomen, maar dat was tijdens mijn pauze. Ik bedoel, die vrouw moet toch niet in mijn kleedkamer komen snuisteren.’

 Rudolf zucht en wrijft met zijn vingertoppen over zijn oogleden, puur voor het effect.

‘Drinken tijdens de werkuren kan niet, Walter.’

Hij brengt zijn gezicht dicht bij dat van mij, ik staar naar de opgepompte biceps die uit de mouw van zijn shirt steekt.

‘Je weet dat ik je apprecieer, maar alsjeblieft, herpak jezelf.’

Ik knik zonder op te kijken.

Hoewel er een wolk febreze in de ruimte hangt, kan ik nog steeds het frietvet ruiken dat als een blinkend vlies aan haar lichaam kleeft. Mijn hand verdwijnt onder haar roze topje – LOVE in glinsterende letters – en grijpt naar haar borst. Haar halfopen mond wanneer ze over haar schouder kijkt. Ze kan mijn gezicht niet zien, hoogstens een blinkend puntje van het licht dat zich in mijn pupillen weerspiegelt. Ik hoor mezelf hijgen tegen de binnenkant van mijn masker en stop mijn vingers in haar mond. Hoe ze er bij elke slag in bijt en alles opzwelt tot één gonzende waas.

De onzin die uit Peters mond komt, over dat neergehaalde vliegtuig in Oekraïne en wat zijn kapper daarvan vindt. Buiten is het donker geworden, de koplampen van een taxi schieten voorbij. Robert komt de keuken uit.

‘Heb je gisteren naar de match gekeken?’ vraagt Peter. Robert schudt van nee. Ik giet het laatste beetje whisky naar binnen en staar naar een stapel flyers voor mij op de toog.

‘Je had die spits met zijn tulband moeten zien wenen toen het 4-0 werd. Hilarisch.’

De begintonen van ‘’Round Midnight’ glijden als een nevel uit de speakers. Ik zie een tuin met een vijver, een zwerm libellen scheert over het wateroppervlak. Plots begint de mist op te trekken en de witte lijnen op de flyer vormen letters, woorden, een naam. Sara Grimmerink. Nee. Ik neem de flyer vast. ‘Kunstenares Sara Grimmerink zoekt vaders met een verhaal.’ In de bovenhoek staat een portret van een bejaarde man in legeruniform. Daaronder een gsm-nummer en een mailadres.

‘Knap ding, dat meisje.’

Robert kijkt naar de flyer terwijl hij zijn vod nonchalant in een koffietasje propt.

‘Ze kwam die hier een paar dagen geleden leggen. Wat is haar naam weer?’

‘Sara Grimmerink’, hoor ik mezelf fluisteren. Hij knikt.

‘Heet jij niet ook Grimmerink, Walter?’ vraagt Peter. ‘Toevallig geen familie?’

Met de grootste moeite schud ik mijn hoofd van links naar rechts.

‘Ik dacht het al, een knappe griet die familie is van jou.’

Hij balkt. In een flits zie ik zijn scheve tanden aan stukken breken op de rand van de toog.

‘He Walter.’

Ik voel hoe mijn mond zich in een glimlach wringt, zo nep als die van de wasbeer.

Alles glijdt weer voorbij, alsof ik per ongeluk een kamer ben binnengestapt waar de diavoorstelling van mijn leven aan de gang is.

Rita en ik tegenover een zwartharige vrouw aan een bureau. Tussen ons in een doos papieren zakdoeken. De vrouw lijkt ons iets te vertellen, er hangt een afbeelding van het menselijk brein aan de muur.

Onze slaapkamer. Rita vertelt me een droom waarin mannen met Venetiaanse maskers haar neerstaken in het park. Sara staat op de gang en kijkt door een kier naar binnen. Die grote ogen die wisten wat er gebeurde, maar niet veroordeelden.

Ik kijk naar de maan die als een vreemd soort lichtreclame aan de hemel staat.

Ze is in de stad.

Er zit een vrouw te bedelen voor de gesloten deuren van de ijswinkel. Haar samengevouwen handen gaan onafgebroken op en neer, haar gezicht is verscholen achter haar hoofddoek. Ze zou een robot kunnen zijn. Ik sta wat verderop in mijn wasbeerpak.

Mijn masker begint barsten te vertonen, Sara’s ogen duiken op in alle gezichten van de kinderen die aan mijn mouw komen trekken. Een week geleden heb ik een vals mailadres aangemaakt in een internetcafé en haar gemaild dat ik wou helpen met haar project maar dat ik tijdens onze eerste ontmoeting anoniem wenste te blijven.

Achter mij weerklinken voetstappen, ik voel mijn hart tekeer gaan als een baviaan in een veel te kleine kooi. Een vrouw wandelt mijn blikveld in. Lang zwart haar en een donkerrode jurk. Ze kijkt naar het straatnaambordje en draait zich dan naar mij. Die grote, katachtige ogen.

‘Geert?’

‘Ja.’

Ze glimlacht en wandelt op me af.

‘Ik ben Sara. Aangenaam.’

Haar warme hand in de mijne.

Ik luister hoe het geluid van haar voetstappen door de verlaten winkelstraat kaatst.

‘Welk verhaal wou u mij vertellen?’

De onvermijdelijke vraag. Ik haal diep adem.

‘Het gaat over mijn dochter. Ik ben haar uit het oog verloren.’

‘Mag ik vragen wat er gebeurd is?’

Het blijft even stil. Er drijft een oranje wolk boven de appartementsgebouwen.

‘Ik heb iets heel lafs gedaan. Toen mijn vrouw ziek werd ben ik-‘

 Verdomme.

‘Gaat het?’

Ze draait zich naar me toe en neemt mijn schouder vast. Haar gezicht is zo dichtbij nu, haar neus lijkt op de mijne.

‘Wat voor iemand is uw vader?’ vraag ik.

Haar wenkbrauwen gaan omhoog en het lijkt even alsof er iets begint te trillen in haar mondhoek.

‘Eh, ik heb hem al lang niet meer gezien. Maar hij was een lieve man, hij had een ijscowagen en in de zomervakanties mocht ik met hem mee de straat op. Geweldig was dat.’

Alles wordt warm en troebel.

‘Geert?’

‘Sorry schat.’

Ze deinst wat naar achter.

‘Wat zei je?’

‘Het spijt me.’

Ik kijk haar aan. Haar ogen worden nog groter dan ze al waren.

‘Doe je masker af’, zegt ze en ze staart me lange tijd aan, alsof ze naar iets kijkt wat ik nog niet kan zien, iets wat achter mij ligt. Ik kan het niet.

‘Alsjeblieft?’

Er vliegt een zwaluw over. Mijn masker wankelt op mijn schouders. Uiteindelijk draait ze zich om en wandelt weg.

 Op het einde van de zaal zie ik een muur die los staat van de anderen, alsof hij iets verbergt. Links van mij hangt een portret van een man op een motorfiets. Met zijn helm in zijn handen kijkt hij naar iets buiten beeld alsof hij op iemand wacht. Ik wandel verder en ben nu dichtbij de losstaande muur. Er blijkt geen schilderij achter te hangen, maar ik voel dat er iets naar me lonkt.

Enkele dagen geleden zag ik een affiche van de tentoonstelling. Ik kocht meteen een ticket.

Ik wandel voorbij de muur. Ja, daar hangt het, op de achterzijde. Een kolossaal doek van een vader tegen een witte achtergrond. Het is moeilijk te zeggen hoe oud ze me geschilderd heeft. Mijn lichaam is bedekt door mijn wasbeerpak, maar mijn gezicht, mijn gezicht is zichtbaar. De ogen kijken mij aan met een blik die ik niet ken, of misschien was ik die vergeten. Om mijn hals hangt een regenboogkleurige ketting.

‘Wat vind je ervan?’

Ik draai me om. Die grote, katachtige ogen.